Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana
J >>
John Gabriel Stedman >> Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 Produced by Jeroen Hellingman, Charles Franks
and the Online Distributed Proofreading Team.
REIZE NAAR SURINAMEN EN GUIANA
I.
REIZE NAAR SURINAMEN,
EN DOOR DE
BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA;
DOOR DEN CAPITAIN JOHN GABRIËL STEDMAN
MET PLAATEN EN KAARTEN.
NAAR HET ENGELSCH.
EERSTE DEEL.
TE AMSTERDAM, BY
JOHANNES ALLART,
MDCCXCIX.
O quantum terræ, quantum cognoscere coeli
Permissum est! pelagus quantos aperimus in usus!
Nunc forsan grave reris opus: sed lætarecurret
Cum ratis, & caram cum jam mihi reddet Iölcon;
Quis pudor heu nostros tibi tunc audire labores!
Quam referam visas tua per suspiria gentes!
VALERIUS FLACCUS,
Argonaut. Lib. I. vs,
168--173.
VOORREDEN VAN DEN VERTAALER.
In den jaare 1796. kwam in twee deelen in groot quarto, te London te
voorschyn eene Reisbeschryving, onder deezen tytel: Narrative, of
a five years expedition, against the Revolted Negroes of Surinam,
in Guiana, on the Wild Coast of South America; from the year 1772,
to 1777: elucidating the History of that Country, and describing
its productions, viz. Quadrupedes, Birds, Fishes, Reptiles, Trees,
Shrubs, Fruits & Roots; with an account of the Indians of Guiana &
Negroes of Guinea: by Captain J. G. STEDMAN. Illustrated with 80
elegant Engravings, from drawings made by the Author.
De meer dan gewoone pracht en kostbaarheid, waar mede deeze Engelsche
uitgaaf is volvoert, doet reeds dadelyk iets groots van dit werk
verwagten: en in de daad de doorbladering van het zelve zal die
verwagting geenzints te leur stellen. Eene aanéénschakeling van
merkwaardige gebeurtenissen in eenen gemakkelyken en bevalligen styl
voorgestelt, maakt de leezing van dit werk aangenaam; en het onderwerp
is tevens belangryk. Meer dan één Schryver heeft wel ondernomen eene
beschryving der Surinaamsche Volkplanting te leveren; maar verder dan
dezelve door Europeaanen bebouwd en bewoond word, brengen zy het byna
nooit. De Zand-Woestynen of Savanen zyn de grenspaalen, welke deeze
Schryvers niet te buiten gaan. Maar vermits de Capitain STEDMAN,
door het bywoonen van eenen tocht tegen oproerige Negers, tot in
derzelver diepste schuilhoeken, door byna ontoegankelyke bosschen
en moerassen, is doorgedrongen, treffen wy hier byzonderheden aan,
die elders te vergeefs gezocht zouden worden, en des te meer opmerking
verdienen, om dat ze overal de kenmerken dragen van zuivere waarheid,
zonder opsmukking of vergrooting, waar door andere werken van dien
aart veelal bedorven worden, en hunne achting verliezen. Met recht
beschouwd men dit werk als het volledigst Tafereel der Volkplanting
van Surinamen, eene bezitting, voor meer dan ééne Europeesche Natie
van het grootste aanbelang.
Geen wonder derhalven, dat in verscheide tydschriften in Engeland,
in Frankryk, in Duitschland, met lof van dit werk gewaagd wierd. Geen
wonder, dat de Burger P. T. HENRY zig verledigde, om 'er eene Fransche
Vertaaling van te leveren, welke in den jaare 1798. in drie deelen
in 8V0. te Parys in 't licht verscheen. Geen wonder eindelyk, dat
men in Duitschland 'er in één Deel in 8VO. een zoort van uittrekzel
uit gemaakt heeft.
Alle deeze redenen bewoogen dan ook den Uitgever deezes, om dit
zoo bevallig, als nuttig werk in een Hollandsch kleed te steeken,
en den Nederlanderen ter leezing aan te bieden. Wat de uitvoering der
vertaaling betreft, men heeft de Engelsche uitgaave tot den grondslag
gelegt, maar ook tevens gemeend gebruik te moeten maken van de Fransche
vertaaling, waar aan de verëischten eener goede overzetting met recht
worden toegekend. Men heeft dit voornamelyk gedaan in tweërlei opzigt:
voor eerst door, even gelyk de Fransche Vertaaler gedaan heeft, weg te
laaten de hier en daar ingevlochtene plaatsen, uit Engelsche Dichters,
en andere uitweidingen, die geene andere verdiensten hebben, dan dat
ze eenen al te kostbaaren optooy aan het werk geven: en ten tweeden,
dat men de plaaten, die in de oorspronkelyke uitgaave tot een getal
van tachtig waaren aangewassen, in zoo verre vermindert heef, dat
men de zulke, die in werken over de Natuurlyke Geschiedenis, en over
de kennis der Planten en Gewassen gemakkelyk genoeg te vinden zyn,
tot vermyding van te groote kostbaarheid heeft agter wegen gelaten,
en voorts die geene, welke geplaatst zyn geworden, tot op die maate
verkleind, dat ze voor eene uitgaave in 8vo. geschikt waaren--
De Vertaaler heeft 'er zig voorts op toegelegt, om in zuiver
Hollandsch, ontdaan van het taaleigen der Engelschen en Franschen, door
welk gebrek dikwerf zoo veele vertaalingen voor den Lezer ondraaglyk
worden, het werk van onzen STEDMAN over te gieten, en zig daar toe van
eenen styl te bedienen, die door deszelfs woordenschikking bevattelyk
en niet vermoeiend was. Hoe verre hy hier in geslaagd is, word aan het
bescheiden oordeel des Lezers overgelaaten: terwyl hy zig vermeent
te mogen vleijen met de hoop, dat de goedkeuring van deezen zynen
arbeid, en van de wyze van deszelfs uitvoering, hem zal aanmoedigen,
om met den meesten spoed denzelven te voltooijen.
VOORREDEN VAN DEN SCHRYVER.
Dewyl dit werk misschien één van de zonderlingste voortbrengzels
is, die immer aan het Publiek zyn aangeboden, oordeele ik gepast
te zyn den lezer een korte schets te geven van het geen hy staat te
doorbladeren. Ik heb de stoffen getracht te rangschikken, even gelyk
in een groote tuin, alwaar men de welriekende bloem tevens met de
steekende doorn ontmoet; de met gouden lovers gespikkelde kapel zig
laat zien op de plaats, alwaar de verachtelyke worm kruipt; en het
schitterendst pluimgedierte in de donkerste schaduwe huisvest. Het
geheel, met zulke verschillende kleuren afgemaalt, zal, zoo ik hoop,
onderrigting en vermaak zamenpaaren, zonder den geest te vermoeien
of te verveelen, en het verstand te verzwakken; wel niet met de
hedendaagsche pracht en luister van styl, maar door een eenvouwdig
verhaal, waar van de getrouwheid het hoofd-cieraad is.
In de verschillende caracter-schetsen van eenen Bevelhebber,
eenen oproerigen Neger, een Planter en een Slaaf, is hier niet
alleen de dwinglandye ontvouwt, maar zyn ook de weldaadigheid en
menschlievenheid bloot gelegt. De Krygsheld, de Geschiedschryver,
de Koopman, en de Beminnaar der Natuurlyke Wysbegeerte, zal hier
lichtelyk iets aantreffen dat hem vermaakt; terwyl ik, myne byzondere
voorvallen overal hebbende ingevlochten, eenige verschooning vragen
moet; schoon niet met opzigt tot het gebeurde met die bevallige Slavin,
die zeker niet de min belangrykste vertooning in deeze bladen maakt:
vrouwelyke deugd immers in eenen staat van rampspoed, vooral wanneer ze
met jeugd en schoonheid vergezeld gaat, moet steeds bescherming vinden.
Over het geheel misschien mag ik eenige toegeeflykheid verwagten,
wanneer de Lezer in 't oog houd, dat hy geen Roman leest, door loutere
verbeelding zaamgeflanst, maar eene wezentlyke Geschiedenis, door
geene wonderbaare voorvallen opgepronkt; het werk van een Officier,
die zyn pen en penceel zonder medehulp gebruikt heeft, en dat op de
plaats zelve; eene omstandigbeid, die zeldzaam voorvalt.
Met opzigt tot de afschuwelyke wreedheden, door my zoo meenigwerf
verhaald, zy het genoeg te weten, dat anderen van dergelyke
onmenschelyke bedryven af te schrikken en deugd in te boezemen,
myn eenige dryfveer was; terwyl het aan den anderen kant niet moet
worden uit 't oog verloren, dat vryheid, even zeer als te groote
zachtheid, wanneer zy aan ongeletterde en van alle beginzelen verstoken
menschen schielyk vergunt word, voor beide partyen gevaarlyk, zoo niet
verderffelyk is. Getuigen zyn de Ouca- en Saraméca-Negers in Surinamen;
de Maroni-Negers van Jamaica; de Caraïben van St. Vincent; enz.
Terwyl intusschen de Surinaamsche Volkplanting van het bloed der
Africaansche Negers rookt, vind ik my verpligt naar waarheid op te
merken, dat het de Hollanders alleen niet zyn, die daar aan schuldig
staan; maar dat meest aan andere volken, en voornamelyk aan de Joden,
deeze zoo algemeene en helsche barbaarsheid te wyten is.
De Lezer gelieve deeze bladen met onpartydigheid en bedaardheid door te
loopen; de bloemen van het onkruid te schiften; het goud verstandelyk
van het schuim af te scheiden; en misschien zal hy zig de uuren niet
beklagen, die hy 'er aan besteed heeft. Eenige weinige misslagen
in de spelling en onnaauwkeurigheden ontdekken zig, voornamelyk in
het eerste Deel, vermits ik volstrektelyk ben verhindert geworden,
het toezigt over de verbetering der Drukproeven te houden; maar in
een korte Lyst van eenige weinige drukfeilen, en voornamelyk in het
Register, waar toe ik den nieuwsgierigen verwyze, kan men de naamen
van menschen en zaaken juist gespelt vinden. Laat dit evenwel zoo
niet worden opgevat, dat ik my beroemen durve in schrift en teekening
steeds uit te munten; maar vermits de zuivere en mannelyke waarheid,
waar van men zoo dikwils spreekt, maar die men zoo zeldzaam vind,
eene wezentlyke waarde heeft; vertrouw en hoope ik, dat dit werk den
aandacht van het Britsch Publiek niet geheel onwaardig zyn zal.
INHOUD DER HOOFTSTUKKEN.
I. HOOFTSTUK.
Inleiding.--Opstand der Negers in verscheide gedeelten van Hollandsch
Guiana.--Toebereidzels te Texel tot een tocht derwaarts.--Het uitloopen
van de Vloot.--Overtocht.--Het inloopen in de Rivier van Surinamen.--'t
Goed onthaal, dat het Krygsvolk in deeze Volkplanting ontfing.--Schets
der inwoonders, &c.
II. HOOFTSTUK.
Algemeene beschryving van Guiana.--Van de Volkplanting van Surinamen
in 't byzonder.--Tydstip van derzelver ontdekking.--Dezelve word
bezeten door de Engelschen en Hollanders.--De Gouverneur, de Heer VAN
SOMMELSDYK, vermoord.--De Volkplanting word door de Franschen genomen,
en onder schatting gesteld.
III. HOOFTSTUK.
Eerste opstand der Negers en deszelfs oorzaaken.--Elendige staat
der Volkplanting.--Gedwongen vrede met de Muitelingen.--Muitery der
Zee-Soldaaten, Matroozen, enz.
IV. HOOFTSTUK.
Eene korte tusschenpoozing van overvloed en vrede.--Nieuwe opstand,
welke groote nadeelen, en byna den ondergang der Volkplanting
veroorzaakt.--Monstering van het Krygsvolk tot derzelver
verdediging.--Gevecht tusschen dezelve en de muitelingen.--Goed
gedrag van eene bende Negers.--Aankomst der Zee-Soldaaten van den
Colonel FOURGEOUD.
V. HOOFTSTUK.
Het toneel verandert.--Beschryving van eene schoone Slavin.--Manier
om door Surinamen te reizen.--De Colonel FOURGEOUD neemt den loop der
Rivieren op.--Barbaarsheid van eenen Planter.--Elendige behandeling,
welke sommige bootsgezellen ondervinden.
VI. HOOFTSTUK.
Verschrikkelyke straföeffening.--Onzekere gesteldheid der
Staats-zaaken--Korte tusschenpoozing van vrede--Een Officier gedood,
en zyne geheele Krygsbende aan stukken gehouwen.--Algemeene wapenkreet
in de Volkplanting.
VII. HOOFTSTUK.
Vertrek der gewaapende vaartuigen tot verdediging der
Rivieren.--Beschryving van het Fort Amsterdam.--Krygstocht naar het
bovenste gedeelte van de Rivieren Cottica en Patamaca.--Groote sterfte
onder het krygsvolk.--Gezicht van den Wacht-post van Devil's Harwar.
VIII. HOOFTSTUK.
De Muitelingen verbranden drie Plantagiën, waar van zy de bewooners
vermoorden.--Tafereel van armoede en elende.--Optocht dwars door de
bosschen van Surinamen. De Colonel FOURGEOUD en het overig krygsvolk
verlaat Paramaribo.
IX. HOOFTSTUK.
Kakkerlakken.--Ziekten, die aan de luchtstreek van Guiana eigen
zyn.--Papegaijen, genaamt Macaws.--Nieuwelings aangebragte Negers,
om als slaven verkogt te worden.--Aanmerkingen over de behandeling
der Negers.--Hunne reize van Africa naar America.--Manier van het
verkoopen der slaven te Surinamen.--Beschryving eener Catoen-Plantagie.
X. HOOFTSTUK.
De Armadil.--Het Stekelvarken en de Egel van Guiana. Gevecht
tusschen een Slang en een Kikvorsch.--De Colonel FOURGEOUD
trekt naar de Wana-Kreek.--Hy ontrust den vyand door herhaalde
aanvallen.--Beschryving van den Palmboom.--Verscheiden gebruiken,
waar toe dezelve dient.--De Kokosboom.--Tocht naar den mond der Rivier
Cormoetibo.--Waarneemingen omtrent de Vogelen van Guiana.--Distelen
en doornen.--Eenige muitelingen krygsgevangen gemaakt.--Ysselyke
behandeling, door een gevangen en Neger ondergaan.
EERSTE HOOFTSTUK.
Inleiding.--Opstand der Negers in verscheide gedeelten van
Hollandsch Guiana.--Toebereidzels te Texel tot een tocht
derwaarts.--Het uitloopen van de Vloot.--Overtocht.--Het
inloopen in de Rivier van Surinamen.--'t Goed onthaal, dat
het krygsvolk in deeze Volkplantingen ontfing.--Schets der
inwoonders, &c.
Het algemeen belang, het welk zedert verscheiden jaaren, in
de ontdekking of beschryving van afgelegene gewesten is gesteld
geworden; en het welk het verhaal van de verschillende ondernemingen
der reizigers, en van de onderscheidene omstandigheden waar in zy
zig bevinden, steeds doet gebooren worden, heeft my aangezet, om de
waarneemingen, die ik gelegenheid gehad heb op een zeer merkwaardig
gedeelte van den aardbol te maaken, alwaar weinige Engelschen, het
zy by toeval, het zy om eenige andere reden, zig bevonden hebben,
aan het algemeen mede te deelen.
De Volkplanting van Surinamen, in Hollandsch Guiana, het gedeelte
namelyk, dat het naast aan de zeekust ligt, door de Europeanen bewoond
en bebouwd, is wel zedert verscheiden jaaren bekend; maar de zwaare
overstroomingen en de ondoordringbaare dikte der bosschen, hebben tot
hier toe zulke hinderpaalen in den weg gelegt aan de onderzoekingen
van hun, die dieper hebben willen indringen, dat men, betrekkelyk
dit land, niets naar waarheid geweten heeft, dan alleen met opzigt
tot de voorwerpen van koophandel,--die aan alle de bezittingen,
onder den zonne-keerkring gelegen, eigen zyn. Dit werk is dus in
't byzonder geschikt, om de gebeurtenissen te schetsen, waar in de
noodzakelykheid, om in de binnenste gedeelten van dit uitgestrekt
gewest door te dringen, my heeft doen deel neemen, en waar van dezelve
my getuige gemaakt heeft, als mede om op te geven de waarneemingen van
allerley zoort, waar toe ik in de gelegenheid, in welke ik my bevond,
eenigermaten als gedrongen wierd.
Alvoorens deezen moeielyken taak te onderneemen, vind ik my,
tot verstand der gebeurtenissen, in de onvermydelyke verpligting,
om kortelyk rekenschap te geven van de oorzaaken, die my in dit
weereld-deel gebragt hebben.
Alle landen, alwaar de huisselyke slavernye gevestigd is, leggen
dikwerf bloot voor opstanden en onlusten, vooral wanneer de slaven
het grootste deel der inwoonders uitmaken; maar de Hollandsche
volkplanting Surinamen is op dit stuk byzonder ongelukkig geweest. Het
zy dat de eindelooze bosschen, die het aanzienlykst gedeelte deezer
landstreek bedekken, aan de vluchtenden eene gemakkelyke schuilplaats
verschaffen, het zy dat het Bestuur aldaar eenig ingeworteld gebrek
heeft, dit is zeker, dat de Europeanen aldaar aanhoudend aart de
snoodste verongelykingen, en hunne bezittingen aan de geweldadigste
verwoestingen zyn bloot gesteld. Het is hier de plaats niet, om daar
van een opzettelyk verhaal te doen; het zal genoeg zyn aan te merken,
dat deeze herhaalde opstanden eindelyk de gestrengste maatregulen
tot een volkomen herstel der rust vorderden; en dat de tyding,
die in den jaare 1772. in Holland aankwam, dat eene aanzienlyke
magt van gewapende Negers, die zig in de bosschen verzamelt had,
voor de Volkplanting ten uitersten geducht wierd, Hun Hoog Mogenden,
de Staaten der Vereenigde Nederlanden, deed besluiten, om eene magt
af te zenden, die in staat zoude zyn, den muitelingen het hoofd te
bieden, en zelfs, zoo het mogelyk was, den opstand te dempen.
Myne eerzucht strekte om in den Engelschen zee-dienst te gaan; maar
de weinige hoop tot bevordering, die nu in vreedes-tyd natuurlyk te
wagten stond, gevoegd by den slegten staat van myne geldmiddelen,
noopte my, om van den zeedienst af te zien, en de aanstelling tot
Vaandrig aan te neemen, die my zonder kosten wierd aangeboden, in
één der Regimenten van de Schotsche Brigade, in Hollandsche soldy
staande, ten tyde, dat de heer JOSEPH YORCK (wylen Lord DOWER)
aldaar Afgezant van ons Hof was. Het was in zyne handen, dat ik
den gewoonen eed afleide van afzweering en getrouwheid aan mynen
Koning en myn Vaderland, als zynde in Engeland in de oorlogs-rolle
opgeschreven.--Ik heb gedacht, dat ik aan my zelf verschuldigd was
die verklaaring te doen, ten einde te bewyzen, dat ik uit noodzaak,
en niet uit myne eigene keuze, by vreemden dienst nam, schoon 'er
misschien geene krygsbende gevonden word, die ouder is, of zig meer
beroemd gemaakt heeft, dan deeze Brigade, zoo op ons Eiland als op
het vaste Land, zedert meer dan twee honderd jaaren.
Ten tyde van den opstand, waar van ik hier boven sprak, was
ik Lieutenant in het Regiment van den waardigen Generaal JOHN
STUART. Bemoedigd door de hoop van op myn geliefd element eene
langduurige reize te ondernemen, en aangezet door het verlangen, om
een gedeelte der weereld te bezigtigen, het welk nog niet geheel en
al bekend was; daarenboven denkende, dat ik, ten gevolge van eenen zoo
gevaarlyken tocht, eene meer aanzienlyke bevordering verkrygen zoude,
deed ik, zonder tyd verlies, aanzoek om geplaatst te worden onder eene
krygsbende vrywilligers, welke zig gereed maakte, om naar Guiana in te
schepen. Ik had dienvolgende de eer, om door zyne Doorluchtige Hoogheid
WILLEM DEN Ve. Prins van Oranje, tot den rang van Capitain bevorderd
te worden, onder den Colonel LOUIS HENRY FOURGEOUD, een Zwitsersch
Edelman, uit den omtrek van het Alpisch Gebergte, die benoemd was,
om by deezen tocht als Opperhoofd 't bevel te voeren.
Na dat ik, den 12de November, den eed van trouwe aan myne nieuwe
legerbende had afgelegt, en alles tot myne reize volkomen was gereed
gemaakt, nam ik afscheid van myn oud Regiment, en ging oogenblikkelyk
te scheep naar het Eyland Texel, alwaar verscheiden onzer reisgenooten
reeds by elkander waaren, en alwaar ik, op 't oogenblik van aan land
te stappen, dagt te vergaan, dewyl het vaartuig was lek geworden,
en geduurende de branding in de zee aan 't zinken was.
Het Eiland Wieringen was egter de algemeene vergaderplaats. De Colonel
FOURGEOUD kwam aldaar aan den 7de December. De vrywilligers waaren
aldaar allen by elkander, ten getaale van vyfhonderd schoone jonge
manschappen; en des morgens van den 8ste wierden wy verdeeld in
zeven compagniën, die een corps of regiment van soldaaten ter zee
uitmaakten. Behalven de oorlog-schepen Boreas en Westellingswerf,
onder bevel van de Capitains VAN DE VELDE en CRAS, werden als
oorlogs-sloepen bestemd drie transportfregatten, kortlings gebouwd,
voerende een vlag van agteren, op de boegspriet, en een wimpel, en
gewapend met tien tot zestien stukken geschut. Wy gingen den zelfden
dag des namiddags aan boord van deeze Schepen; en geduurende onze
inscheeping, wierden wy door een algemeen salvo begroet; waar na de
krygsoeffeningen verrigt wierden, even als op een oorlogsvloot.
Schoon ingescheept zynde, vertrokken wy egter niet oogenblikkelyk. Wy
wierden eenige dagen door den wind op de reede van Texel opgehouden; en
in dien tusschentyd, wierd één van onze Officiers, HESSELING genaamt,
ongelukkiglyk door de kinderziekte aangetast. Om te beletten, dat
hy de besmetting aan het volk niet zoude mededeelen, gaf men bevel
om hem aan land te zetten; en hem in de pinas hebbende doen gaan,
geleidde ik hem zelf naar een dorp, genaamt de Helder, gelegen aan de
zeekust, alwaar ik hem agter liet. By myne te rug komst verklaarde de
Heelmeester van het Schip, dat hy de teekens van dezelfde ziekte in my
ontdekte; dienvolgende gelastte men my, om my naar het Eiland Texel te
begeeven. Ik hield aldaar een verblyf, dat voor my allerontrustendst
was; maar ik had het geluk, om aan deeze noodlottige ziekte te
ontsnappen; en, tot groote verwondering van den Doctor, verscheen
ik weder in volmaakten welstand aan boord, een oogenblik voor dat
men sein gaf om te vertrekken. Ik merke, na dit gebeurde, alhier op,
dat het voor hun, die zig tot den Land- of Zeedienst begeeven, nuttig
zyn zoude de inënting te baat te neemen, om zig zelf van knellende
ongerustheden te ontheffen, en niet in 't geval te zyn van aan hunne
medgezellen eene zoo gevaarlyke besmetting mede te deelen.
Op Kersdag, des morgens ten agt uuren, stak onze kleine vloot in zee,
met eenen goeden oost noord oosten wind. Wy wierden vergezeld door
omtrent honderd Schepen, die zig naar verschillende weereld-deelen
begaaven; en het was het helderste en schoonste weder. Met alle
veiligheid zynde uitgeloopen, zonder het peillood te gebruiken,
begroetten wy elkander met negen kanon-schooten, en wy kwaamen buiten
het Kanaal. Wel dra zeilden wy voorby de Noordkaap, het Eiland Wight,
en de punt van Portland; dog de Westellingwerf alhier een lek in het
Schip ontdekt hebbende, wierd genoodzaakt ons te verlaaten, en op de
reede van Plymouth te loopen, om zig aldaar te herstellen.
De wind wakkerde op, toen wy de Baay van Biscaye naderden. Aldaar deed
de onder-stuurman my opmerken een zoort van zee-zwaluw, doorgaans
bekend onder den naam van onweers-vogel, om dat men voorondersteld,
dat hy zulks aankondigt. De vederen van deezen vogel zyn donker blaauw,
byna zwart, en met eenige verschillende kleuren verciert. Het lyf
is als van een groote zwaluw: de pooten zyn van een vlies voorzien,
de bek zeer lang en puntig, de wieken van eene buitengewoone lengte,
het geen hem eene gemakkelykheid geeft, om zeer schielyk en een langen
tyd agter een te vliegen, doorloopende denzelven het halfrond met eene
ongelooflyke gezwindheid. Deeze vogel leeft van niets anders dan van
visch; het geen waarschynlyk de oorzaak is van de doorzigtigheid, waar
mede hy het oogenblik voorziet, het welk hem van zyn gewoon onderhoud
berooven moet. Alsdan vliegt hy met eene ongemeene schielykheid,
ten einde het onweer te ontwyken; maar word hy daar van overvallen,
laat hy zyne vlerken hangen, en zweeft door de ruimte van de lucht.
Daags daaraanvolgende, den 2de January 1773. wierd de voorzegging
van den onweers-vogel vervult. 'Er stak een sterke wind uit het oost
noord oosten op, die, na dat wy Kaap Finisterre voorby gezeilt waaren,
de Boreas en de Waakzaamheid van ons afscheide. Wy voeren den geheelen
nacht, met het bramzeil dubbeld ingebonden, en de luiken digt gesloten,
het geen ons volk zeer ziek maakte. Ik moet niet vergeten hier aan
te merken, dat wy een proef namen, om de hangmatten over dwars te
plaatsen, en niet als gewoonlyk van vooren naar agteren; deeze manier,
die wy zeer gemakkelyk bevonden hebben, vermits zy ons meer ruimte gaf,
is zedert op andere Schepen gevolgt geworden.
Den 14de, des morgens, ontdekten wy van verre een groot Schip, dat voor
den wind zeilde, en regelrecht op ons aankwam. Gissende, dat het een
Algiersche Zeeroover mogt zyn, en van de vyf Schepen, waar uit onze
Vloot by ons vertrek bestond, 'er slechts twee afwezig zynde, maakten
wy ons gereed om eenen aanval door te staan; maar wel dra bemerkten wy,
dat het de Boreas was, die zig den 2den van ons had afgescheiden. Van
dit oogenblik oeffende men zig dagelyks met het geschut, door te
mikken op een zoort van schild, dat aan de groote raa wierd opgehangen.
Den 14de, geduurende een vierde van den ogtend, zeilden wy voorby den
zonne-keerkring; en de gewoone plechtigheid, om de nieuwe matroozen
in zee te dompelen, wierd met eenig geld, dat aan het volk by de
fokke-mast wierd ter hand gesteld, afgekogt. Bykans op dit zelfde
oogenblik verloor de Boreas één van zyne beste zeelieden, des
onder-stuurmans maat. De vochtigheid deed hem de hand uitglyden, en
hy viel van de fokke-mast in zee. Zyne tegenwoordigheid van geest, met
den Capitain toe te roepen, terwyl hy op zyde van het Schip zwom,--"zyt
voor my niet ongerust," denkende dat hy geholpen zoude worden, verwekte
een innig mededogen; 'er ontstonden zelfs eenige morringen, om dat
men hem geene hulp toebragt. De ongelukkige jongeling, een vry langen
tyd gezwommen hebbende, verloor zyne kragten en zonk naar den grond.
Wy hadden eindelyk den passaatwind bekomen, die gestadig uit het
oosten waaide; de lucht wierd van dag tot dag gematigder, en deeze
beide voordeelen maakten onze reize uitermaaten aangenaam. Een groot
getal dolphynen of zee-braassems, speelden rondom de Schepen, Deeze
fraaye visschen scheenen daar in een zonderling vermaak te scheppen,
en wy niet minder met hen te zien en te bewonderen. De waare dolphyn,
die onder het geslacht der groote zeevisschen behoord, wierd oudtyds
door de Dichters hoog geroemd, uit hoofde van deszelfs liefde tot de
menschen, en andere deugden, die men in denzelven vooronderstelde;
maar dit kan men niet zeggen van den zeebraassem, of den hedendaagschen
dolphyn. Dit dier is uittermaaten vernielend en vraatächtig. Men weet,
dat het alleenlyk al speelende de Schepen volgt, in de hoop van een
aas te ontmoeten, vooral by het opkomen van een onweder, het geen
hetzelve met zekerheid schynt te voorzien, en niet uit een gevoel van
vriendschap voor de menschen. Het geen voornamelyk onzen aandacht tot
den zee-braassem trekt, is de schitterende en voorbeeldelooze glans
van deszelfs kleuren onder water. [1] Zyn geheele rug is doorvlamt
met hemelsblaauwe vlakken, een weinig naar het zeegroen hellende,
en verspreid op een donkeren grond, die met kostbaare gesteenten
verrykt schynt; dit maakt eene fraaye tegenstrydigheid met den buik,
die van een dof blaauwe kleur is. De vinnen en de staart zyn van een
goud-kleur. Deeze visch heeft vyf of zes voeten lengte. Zyn rug, van
eene kegelvormige gedaante, loopt, hoe langer hoe kleiner wordende,
tot by de staart; deeze is in tweën gescheiden, en schynt een halve
maan te maaken. De kop is rond, en van een grooten bek voorzien. De
schubben van den zee-braassem zyn zeer klein. Een zoort van vinne
snyd hem den rug in tweën, van het hoofd tot de staart.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17