Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana
J >>
John Gabriel Stedman >> Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 Produced by Jeroen Hellingman
with help of the distributed proofreaders team.
REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA;
DOOR DEN CAPITAIN JOHN GABRIËL STEDMAN.
MET PLAATEN EN KAARTEN.
NAAR HET ENGELSCH.
TWEEDE DEEL.
INHOUD DER HOOFTSTUKKEN.
XI. HOOFTSTUK.
Het Krygsvolk keert naar de Wana-Kreek te rug.--De Pipa.--Gevecht
tusschen een soldaat en een slang.--De Fesant-vogel van Guiana.--De
Agamie of Trompetter.--De Muitelingen trekken de legerplaats voorby;
men vervolgt hen te vergeefs.--Groot gebrek aan water.--Schranderheid
der Negers.--De Zyde-plant.--Kevers en Insecten.--Bergwerken.--Fraaije
Kapel.--Het krygsvolk koomt op den post van la Rochelle aan de
Patamaca.
XII. HOOFTSTUK.
Beschryving van Paramaribo, en van het Fort Zelandia.--De Grow Mouneck
of graauwe Munnik.--De West-Indische Abricoos-boom.--Verschillende
zoorten van Oranjeboomen.--De Colonel FOURGEOUD trekt naar de Rivier
Maroni.--Een Capitain word gewond, en eenige soldaaten gedood.--Vreemde
straf-öeffening in de hoofdstad.--Het Fort Sommelsdyk.--De wachtpost
van de Hoop.--Duiven en Tortelduiven.--Groenten en vruchten.--Jacht
en wildt.--Steenbakkery.--Insecten.
XIII. HOOFTSTUK.
Beschryving van eene Suiker-Plantagie.--Huisselyk geluk in
zekere hut.--Krygs-verrigtingen van den Generaal FOURGEOUD.--De
Duncane, Igname en Soubacou.--Wreedheden van zommige Opzigters der
Plantagiën.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Misnoegen van
eenen Capitain der muitelingen.
XIV. HOOFTSTUK.
De Colonel FOURGEOUD keert naar Paramaribo te rug.--Het gevleugeld
en gewapend Water-hoen van EDWARDS.--Bewys van onkunde in
een Heelmeester;--van deugd in een slaaf;--van wreedheid
in eenen Bevelhebber.--De roode Wulp.--De Wesp, Marobonso
genaamd.--Orange-appelen en Limoenen.--De insecten, Chiques
genaamd.--Het krygsvolk begeeft zig weder naar de bosschen.--De
Kibry-Fowlo.--Verscheidene zoorten van wilde varkens.--Mieren.--De
dans van Loango.--De Toreman.--De Poelsnip van Guiana.--Plantains en
Bananes.--Manier om te visschen.--Visschen.--Vogelen.
XV. HOOFTSTUK.
Indianen, inboorlingen van
Guiana.--Voedzel,--Wapenen,--Cieradiën,--Optooisels,--Bezigheden,--
Vermaken,--Driften,--Godsdienst,--Huwelyken,--Begravenissen,
enz. van deeze Volken.--De Caraïbische Indianen in 't byzonder,
en hunne koophandel met de Europeanen.--Boomen, Heesters en Planten.
XVI. HOOFTSTUK.
Versterking van krygsvolk, uit Holland aangekomen.--De Goijava-boom,
en deszelfs vrucht.--Legerplaats by Maagdenberg aan de Tempaty
Kreek.--Verschillende zoorten van Aapen.--Een zeer maanzieke
Neger.--Eekhoorntje van Guiana.--Verscheidene zoorten van
boomen.--Hagedissen.--Bergen van mynstoffen voorzien.--Treffelyke
gezichten.--De Roucouboom.--Fraaije Kapel.--Palmloom--worm.
XVII. HOOFTSTUK.
Nieuwe wreedheden, nog onmenschelyker, dan alle de
voorige,--Verschillende zoorten van planten.--Papegaaijen en
Parkieten.--Surinaamsche Patrys.--Buitengewoone Insecten.--Geiten van
Guiana.--De Taïbo.--Verscheidene zoorten van visschen.--Groote sterfte
onder het krygsvolk, het welk zig op de posten aan de Tempaty-Kreek,
en de Commewyne bevond.
XVIII. HOOFTSTUK.
Een Tyger, op de legerplaats gevangen.--De Jaguar.--De Couguar.--De
Tyger-kat.--De Jaquarette.--Gevecht tusschen eenige afgezondene
manschappen der Sociëteit en de muitelingen.--Levens-manier van eenen
Surinaamschen Planter.--Verscheiden zoorten van visschen.--Besmettelyke
ziekten.--Zelfsmoord.
XIX. HOOFTSTUK.
Optocht van het Krygsvolk naar Barbacoeba, aan de Rivier Cottica.--De
Palmboom-kool en de Mauricy.--Heete koorts.--Trek van dankbaarheid in
eenen Engelschen Matroos.--Verscheiden zoorten van Peper.--Citroen-
en Limoen-boomen.--De Mammy-appel.--Pimpernooten.--Regeering in
Surinamen.--Honden van Guiana.--Ongemeene trek van edelmoedigheid.
ELFDE HOOFTSTUK.
Het krygsvolk keert naar de Wana-Kreek te rug.--De Pipa.--Gevecht
tusschen een Soldaat en een Slang.--De Fesant-vogel van Guiana.--De
Agamie of Trompetter.--De muitelingen trekken de legerplaats voorby;
men vervolgt hen te vergeefs.--Groot gebrek aan water.--Schranderheid
der Negers.--De zyde-plant.--Kevers en insecten.--Bergwerken.--Fraaije
Kapel.--Het krygsvolk koomt op den post van la Rochelle aan de
Patamaca.
Den 30sten November 1773, verliet al het krygsvolk den post van
Jerusalem, en men keerde naar de Wana-Kreek te rug, maar zonder juist
den weg te volgen, langs welken men gekomen was. De Colonel FOURGEOUD
herriep intusschen de eerst gegevene bevelen, en stond ons toe hutten
te maken, om onze hangmatten in dezelve te plaatsen. Wy hadden ons
dus weinig op dit stuk te beklagen; met de levensmiddelen was het
geheel anders gelegen.
Wy vervolgden onzen tocht, geduurende drie agter één volgende dagen,
met vry goed weder; maar alle morgen liet de Colonel my onbarmhartiglyk
wekken door eene schildwacht, die last had my niet te verlaaten,
eer dat ik hem antwoord had gegeven.
Den 3den, kwamen wy op nieuw by de Wana-Kreek aan: ik vleide my,
na eenen moeielyken tocht, met het doorbrengen van eenen gerusten
nacht myne krachten aldaar te zullen herkrygen; maar ik wierd als
naar gewoonte wakker gemaakt, en was in zulk een diepen slaap, dat
men my by den arm moest schudden, om my te doen ontwaaken. De Colonel
was in zijne hangmat gezeten, met een donderende stem zweerende, dat
hy allen, die zyne beveelen niet gehoorzaamden, zou doen ophangen,
of vierendeelen; en het bosch weêrgalmde eenigen tyd van zyn
geschreeuw. Daar op volgde eene diepe stilte, die ik wel dra door een
schaterenden lach afbrak: ik was de eenige niet; anderen voegden zig
by my, en de Colonel begon weder te brullen, zonder de stem van iemand
te kunnen onderscheiden. Hij wierd wonderbaarlyk geholpen door eene
groote padde, die men hier Pipa noemt. Dit dier huisvestte in de hut
van den Commandant, en kwaakte alle nachten op eene vervaarlyke manier.
De Pipa of Pipal gelykt, zoo men zegt, gedeeltelyk naar de kikvorsch,
gedeeltelyk naar de padden: hy is de grootste onder allen van dit
laatste zoort, die men in Zuid-America, en misschien in de weereld
vindt; hy is leelyk, met eene pokächtige huid van een donker bruine
kleur bedekt, en met onregelmatige en zwarte vlekken geteekend;
zijne agterpooten zyn plat, van een vlies voorzien, en de klauwen
zyn langer, dan die van de voorpooten; uit dien hoofde kan hy te
gelyk zwemmen en springen als een kikvorsch, een voordeel, waar door
hy van andere padden verschilt. Hij is een weinig grooter, dan een
gewoone eendvogel, wanneer die geplukt is. Zyn gekwaak, het welk hy
doorgaans niet dan des nachts laat hooren, is ongemeen sterk. Maar
het merkwaardigste in dit zoort van gedrocht is de manier, waar op hy
voortteelt: de jongen zyn besloten in een zoort van zak vol water, die
op den rug der moeder geplaatst is; aldaar word zy door het mannetjen
vruchtbaar gemaakt, en aldaar begint ook het aanzyn van de vrucht,
blyvende daar in tot het oogenblik, dat dezelve genoegzaam gevormd is,
om 'er te kunnen uitkomen. [1]
De padden zyn niet vergiftig, zoo als men doorgaans gelooft; men kan
'er zelfs huisdieren van maken. De heer ARSSCOTT heeft 'er jaaren
lang een opgevoed; [2] de Colonel FOURGEOUD bewaarde de zyne in zyn
hut, even als een huisdier, geduurende al den tyd, dat wy aan de
Wana-Kreek gelegerd waaren; en ik zelf heb langen tyd een kikvorsch,
als een huisdier gehouden.
Maar laaten wy tot myne hangmat, en myn dagverhaal te rug keeren. Het
gekwaak van deezen Pipal, dat van eene andere padde, die van het
ondergaan tot het opkomen der zon, aanhoudend riep touck, touck, touck;
het gebrul der tygers, dat der aapen, de schuiffeling der slangen,
en een aanhoudende regen, maakten deezen nacht zoo onaangenaam,
als somber: de opkomende dageraad echter deed my denzelven wel dra
vergeeten, en ik bevond my zoo wel en zoo te vreden, als men in de
bosschen van Guiana met mogelykheid zyn konde.
Den 4den, des morgens, ontdekte ik twee fraaije Powesas, op de takken
van eenen hoogen boom, die naby de legerplaats stond. Aan den Colonel
verlof gevraagd hebbende, om 'er een te schieten, weigerde hy my
zulks op eene ruwe wyze, onder voorwendzel, dat de vyand de schoot
van myn snaphaan zoude kunnen hooren; als of dezelve niet wist waar wy
waaren. Kort daar na echter, wanneer zig op den top van eenen anderen
boom een groote slang vertoonde, gaf de Bevelhebber, het zy uit vreeze,
het zy uit weerzin, last om op hem te schieten. Het dier, den schoot
ontfangen hebbende, viel op den grond, schoon nog volkomen levendig
zynde, en kroop dadelyk naar eene dikke doornhage by het magazyn. Ik
had hier gelegenheid, om de ongemeene onverschrokkenheid van eenen
soldaat op te merken, die de voetstappen van deezen slang zoetjens
agter na volgde, en hem van onder de struiken weg trok, beweerende,
door een zoort van bygeloovigheid, dat de beet hem geen kwaad konde
veroorzaaken: wat daar ook van zy, de slang, die meer dan zes voeten
lang was, verhief verscheiden malen den kop en het halve lyf, om hem
aan te pakken, maar de soldaat deed hem door vuistslagen nederbukken,
en eindelyk kloofde hy hem met zyn sabel in tweën; het welk een einde
aan het gevecht maakte.
Vreezende dat ik beschuldigd mogt worden, zoo aanstonds een nieuw
woord gebruikt te hebben, het geen voor myne lezers waarschynlyk
onverstaanbaar is, zal ik hun zeggen, dat de Powesas is de Fesant
van Guiana: het is een zeer fraaije vogel, byna de grootte hebbende
van een gewoone jonge kalkoen, waar mede hy door zyne pluimaadje,
en door den smaak van zyn vleesch veel gelykheid heeft. Zyne vederen
zyn van een schitterende zwarte kleur, uitgenomen onder den buik;
zyne pooten zyn geel, zyn bek insgelyks, uitgenomen aan de punt,
alwaar dezelve blaauw en boogsgewyze gekromd is. Hy heeft levendige
en schitterende oogen, en draagt een kuif van gekrulde vederen van
een glinsterend zwarte kleur, het geen hem eene onëindige fraaiheid
geeft. Deeze vogel kan niet ver vliegen; men maakt hem gemakkelyk tam;
men maakt 'er zelfs een huisdier van, en te Paramaribo verkoopt men ze
dikwils voor meer dan een guinie het stuk. Ik zal deeze gelegenheid
waarnemen tot het beschryven van eenen anderen vogel, die aan Guiana
byzonder eigen is, en Agamie door de Franschen, en Camy-camy in
Surinamen genoemd word. Hy is, even als de Fesant, ten naasten by van
de grootte van een jonge kalkoen, maar hy verschilt van dezelve in
gestalte en in pluimaadje. Zyn lyf, dat geen staart heeft, heeft de
gedaante van een ey; zyne vederen zyn zwart, uitgenomen op den rug,
alwaar hy grysächtig is, en onder de borst, alwaar zyne vederen, van
eene blaauwe kleur, lang zyn en nederhangen, als van den Reiger; zyne
oogen zyn schitterend, zyn bek is puntig, en van een zee-groene kleur,
zoo als ook zyne pooten, die hoog zyn, en eindigen met een klauw, waar
aan vier nagels zyn, drie van vooren, en één van agteren. Deeze vogel
draagt in dit Land gewoonlyk den naam van de Trompetter, uit hoofde
van een gezang, het welk hy dikwils doet hooren, en aan het geluid van
dit speeltuig gelykvormig is. Ik kan met geene zekerheid bepaalen,
van waar dit geluid koomt, maar zommige Schryvers beweeren, dat het
van de vorming van zyn bek voortkoomt. Onder al het pluimgedierte,
is de Trompetter het dier, het welk men gemakkelykst kan tam maken:
hy is de vriend der menschen, volgt hen, liefkoost hen, en schynt hun
dezelfde getrouwheid te bewyzen, als de hond: ik heb op verscheidene
Plantagiën 'er veelen gezien, welken men, even als de Powesas, tot
huisselyke diensten gebruikte, en met de kalkoenen en ander gevogelte
te zamen liet eeten. [3]
Den 6den, ontfing ik van Paramaribo zes kruiken rhum, waar van ik
'er vier aan den Colonel gaf.
Om zes uuren des morgens, gaven twee van onze slaven, die
Lacanus-boomen waaren gaan hakken, ons bericht, dat een hoop
muitelingen op den afstand van omtrent een myl van de legerplaats
was voorby getrokken; dat zy onder het bevel stonden van één hunner
Capitains, genaamd ARICO, met wien onze beide Negers aan den oever van
de Cermoetibo-Kreek gesproken hadden, maar dat zy niet konden zeggen,
welken kant de vyand genomen had, zoodanig waren zy verschrikt. Na
het bekomen van dit bericht kreegen wy bevel, om hen by het aanbreken
van den dag te vervolgen. Des anderen daags was mitsdien al het volk
ten vyf uuren gereed, en na een gedeelte van het zelve te hebben
agtergelaten, om de krygs- en mond behoeften te bewaaren, rigtten
wy onzen tocht naar de plaats, alwaar de muitelingen zig vertoond
hadden. Wy zagen hier een grooten palmboom, die op het water dreef,
en aan den anderen oever met koorden van heestergewassen was vast
gemaakt; het geen duidelyk te kennen gaf, dat ARICO en zyn volk de
Kreek waren overgekomen. Zie hier, hoe de Negers in zoodanig geval
eene Rivier overgaan: zy plaatsen zig, de één agter den ander,
op den dryvenden stam van den boom; zomtyds zelfs zetten zy hunne
kinderen en vrouwen daar op; en de beste zwemmers vergezellen hun,
en zyn hunne leidslieden.
Schoon de bewyzen van den overtocht der muitelingen duidelyk waaren,
trok de Colonel dezelve echter in twyffel, of liever hy beweerde,
dat het van hunnen kant slechts eene krygslist was: zy hadden eenige
manschappen, zeide hy, afgezonden, om den boom aan den oever vast te
maken, en ons te bedriegen.
Niemand was van dit gevoelen, maar alle redeneeringen der weereld
werkten daar tegen niets uit. Wy namen dus een weg, die recht het
tegengestelde was van den weg der muitelingen; namelyk wy trokken
oostwaarts, daar men hen naar den westkant had moeten vervolgen,
het geen de Jagers zekerlyk gedaan zouden hebben. In deeze eerste
richting gingen wy voort tot de aannadering van den nacht, schoon
men het brood vergeten had, en dat wy den geheelen dag geen enkelen
drop water hadden kunnen hebben, want wy trokken door zwaar zand
of Savanen. Na dat wy den weg een weinig rechts af genomen hadden,
riep een Neger uit, dat wy aan de Wana-Kreek naderden. Ik hoorde dit
met genoegen; en hem een kalabas en myn fles rhum gegeven hebbende,
verzogt ik hem derwaarts te gaan, om de kalabas met een mengzel van
rhum en water te vullen; maar hy maakte het te sterk, zig buiten
twyffel verbeeldende, dat het daarom beter zyn zoude. Ik had zulk
een zwaaren dorst, dat ik den drank in eens doorzwolg, zonder dien
te proeven; dit werkte zeer gezwind, want op het zelfde oogenblik
was ik naauwlyks in staat my overëind te houden.
Den 9den, na eenen vrugteloozen tocht, kwamen wy weder in onze
oude legerplaats te rug. De Neger SEPTEMBER, die ons volgde, gelyk
een herders hond de kudde volgt, wierd aldaar door den Colonel in
vryheid gesteld. In de daad hy was onvermoeid. Hy zelf doorwaadde
de Kreek, om 'er den westelyken oever van te bespieden. Des anderen
daags morgens, liet hy ons wederom onzen knapzak vullen, en geleidde
ons langs den zelfden weg, beweerende, dat hy den vyand eindelyk
agterhalen zoude. Vervolgens tot des avonds voortgetrokken zynde,
bragten wy den nacht in eene oude legerplaats der muitelingen door,
na den geheelen dag gebrek aan water gehad te hebben.
Den volgenden dag, trokken wy steeds voorwaarts, maar wy vonden nog
vyanden, nog water. De Officiers en soldaaten begonden te verzwakken,
en men droeg 'er reeds eenigen in hunne hangmatten. Het was in de daad
ondraaglyk heet; want wy waaren in het saisoen der droogte. In dit
uiterste deeden wy een gat graven van zes voeten diep, op welks grond
men een snaphaan afschoot; oogenblikkelyk kwam 'er een weinig water
te voorschyn; maar zoo modderig, dat het tot geen gebruik dienen konde.
Wy vervolgden onzen tocht, en sloegen ons neder op eene plaats, alwaar
de muitelingen voor deezen eenige Plantagiën bebouwd hadden. Het viel
hard, om geduurende den nacht de ongelukkige soldaaten over dorst te
hooren klagen. De Colonel echter bleef, tot den derden dag, 'er by,
om verder voort te trekken, in de hoop van eenige kreek of beek te
ontmoeten, en den algemeenen dorst te lesschen. Maar hy wierd in
zyne verwagting bedrogen; want den 12den, tot op den middag door de
brandende zand-woestynen heen getrokken hebbende, bezweek hy zelf met
veele anderen, die door een aanhoudenden en verteerenden dorst waaren
ter neder geslagen. Het was nog een geluk voor ons, dat de muitelingen
ons in deeze gesteldheid niet aantastten. Het was ons ondoenlyk geweest
den minsten tegenstand te bieden: de grond was bezaait met elendigen,
die door eene brandende koorts gefolterd wierden. De Colonel zelf
was hopeloos; zyne tong verdroogde in zyn mond, en zyne lippen waaren
geheel zwart; zulk een bitter lyden verduurde hy. In deezen staat konde
ik, hoe weinig hy het ook verdienen mogt, myn mededogen niet weigeren.
Intusschen aten eenige soldaaten by aanhoudenheid van hun gezouten
varkens-vleesch; anderen trokken elkander vier aan vier voort, en
zogten eenige droppelen daauw, op bladeren van boomen verspreid. Wat
my betreft, ik ondervond tans, voor welken yver een Neger, die door
zynen meester wel behandeld word, vatbaar is. In deeze algemeene
behoefte, bood de myne my een kalebas vol water aan, zoo goed als
ik het in myn leven gedronken heb. Het was niet dan met de grootste
moeite, dat het hem gelukte dit water van de bladen van eenige wilde
pynboomen te haalen: zie hier, hoe deeze bewerking geschied.
Men houdt de plant in de eene hand, en in de andere een sabel of mes,
waar mede men de plant beneden de bladen afsnydt. Vervolgens plaatst
men onder de opening een kalebas of een glas, en het water loopt
'er zuiver, fris, en zomtyds in eene groote hoeveelheid in. De bladen
van de plant, dit water in het regen-saisoen opvangende, brengen het
door derzelver canaalen als in een vergaarbak. Zommige Negers vonden
ook gelegenheid om door middel van water-willigen hunnen dorst te
lesschen; maar dit was voor eene door dorst versmagte krygsbende
niet voldoende. De water-willige is een zeer sterk heester-gewas,
zynde een zoort van wynstok, en alleenlyk in zandige landstreeken
groeiende: men snyd dezelve met den sabel in langwerpige stukken,
en dadelyk neemt men 'er een in den mond. Deeze plant verschaft op
die manier een frisschen, aangenaamen en gezonden drank, die in de
brandende bosschen van Guiana van groote nuttigheid is.
De Voorzienigheid my dit hulpmiddel gelukkiglyk hebbende toegezonden,
konde ik myne eerste gemoeds-beweging niet wederstaan, en ik deelde
'er den Colonel van meede, wiens ouderdom en zwakheden ten zynen
voordeele spraken. Hy wierd 'er door verkwikt, en vervolgens besloot
hy, om langs zynen ouden weg te rug te keeren, zonder eenige hoop om
den vyand te agterhaalen: het volk was zoo afgemat, dat men verscheiden
soldaaten dragen moest. Als een laatste hulpmiddel, zond de Bevelhebber
toen eenen Neger uit de Volkplanting de Berbices, genaamd GAUSARIE,
af, om geduurende onzen te rug tocht moeite tot eenige ontdekking te
doen. Den zelfden weg hernomen hebbende, kwamen wy op eenen korten
afstand van de put, welke wy des avonds te vooren gegraven hadden. In
de gedachten zynde, dat dezelve tans helder water in zig bevatten
moest, zond ik mynen Neger QUACO derwaarts, om eene van myne flesschen
te vullen, eer dit water troebel gemaakt wierd; en dit deed hy. Maar,
toen hy daar mede naar my te rug kwam, ontmoette hy den Colonel, die
met zyn snaphaan de fles in stukken sloeg, en aan twee mannen bevel
gaf, om zig als schildwachten by de put te plaatsen, willende het
water voor zig zelven, en voor zyne vrienden bewaren. Dewyl echter
in zulk eene omstandigheden de onderwerping ophield, bukten de beide
schildwachten in de put, met het hoofd naar beneden. Hun voorbeeld
wierd oogenblikkelyk door verscheidene andere soldaaten gevolgd, en
dit water veranderde wel dra in eene modderpoel, die tot niets meer
dienstig was. Na dat wy onze hangmatten aan boomen hadden opgehangen,
verdeelde men onder ons allen, zonder onderscheid, een weinig van
zekeren sterken drank, genaamd kill-devel; maar ik dronk nimmer daar
van, en liet myn aandeel voor mynen getrouwen QUACO. De Colonel dit
vernomen hebbende, liet hem het glas uit de handen rukken, om het geen
er in was, weder in de kruik te gieten, my toevoegende: "dat vermits
ik van dien drank niet dronk, ik 'er niet van hebben moest." Ik was
verontwaardigd over zyne ondankbaarheid; en den zelfden avond een
volle fles van dit zoort van drank gevonden hebbende, gaf ik die aan
mynen Neger.
Omtrent middernacht ontdekten wy, by toeval water. Onuitspreeklyk
verkwikkend was dit voor ons! het verdiende den voorrang boven den
besten wyn: ik zal nooit vergeeten, met welk genoegen ik 'er van
dronk. Ieder leschte zynen dorst naar wensch; en de Colonel liet
toen een groot vuur aanleggen, om zyne avond-maaltyd gereed te maken;
maar hy verbood, aan wien 't ook wezen mogt, dit insgelyks te doen. Hy
stond zelfs niet toe om een stok te snyden, en men was dus genoodzaakt
het gezouten ossen en varkensvleesch rauw te eeten. Myn aandeel aan
een zoort van wandelstokjen geregen hebbende, kroop ik zachtkens
naar het vuur van den Bevelhebber, om aldaar dit vleesch te braden;
intusschen maakte de Neger, die hem tot kok diende, my zeer spoedig
willende helpen, eenig gerucht, en deed hem ontwaaken; maar ik, om
te beletten, dat hy my niet zag, pakte my weg, na myn stuk vleesch
in zyne ketel geworpen te hebben.
Na verloop van eenige minuuten, wende hy voor, dat men in weêrwil
zyner beveelen hout gesneden had. Ik vernam dit, en vreezende dat
hy eenig geweld mogt aanrechten, begaf ik my zachtkens naar zyne
hangmat, en verzekerde hem, dat al het volk in diepen slaap was. Hy
veinsde my niet te herkennen, en my by de hairen nemende, gaf hy
een verschrikkelyken gil. Het gelukte my hem te ontsnappen, en my in
veiligheid te stellen; echter riep hy uit: "schiet op hem! schiet op
hem!" het welk onze geheele legerbende vermaakte. Mynen Neger gevonden
hebbende, liet ik hem dadelyk myn eeten haalen; hy ging in alleryl
derwaarts, en bragt my een stuk ossen-vleesch weêrom, het welk tien
maalen grooter was, dan het geen ik gegeven had; ik bewaarde het,
en had het genoegen, om 'er de ongelukkige slaven op te onthaalen:
dus eindigde deeze elendige dag.
Den 13den, kwamen wy weder aan de Wana-Kreek. Wy waren, door zoo veel
nutteloos lyden, onuitspreekelyk vermoeit.
Alhier onthaalde de Colonel zyne vrienden op myn rhum, en in myne
tegenwoordigheid, maar zonder my een enkelen droppel 'er van aan te
bieden. Ik vond op deeze zelfde plaats een brief, gedagteekend uit
Ceylon, in de Oost-Indiën: deeze was aan my gezonden, door één myner
naastbestaanden, den heer ARNOLDUS DE LY, Gouverneur van Punta de
Galo en Matury, die my nodigde om by hem te komen, en my verzekerde,
dat myn fortuin dan gemaakt zoude zyn. Myn kwaade planeet gedoogde
dit niet; ik oordeelde my zelven onëer aan te doen, met in zoodanig
tyds-gewricht den dienst te verlaten.
De Neger GAUSARIE kwam den 14den te rug, en verklaarde niets gezien
te hebben.
Den 15den, werd eenig krygsvolk, bestaande uit twee Capitains, twee
Lieutenants, en vyftig soldaaten, naar de Rivier Maroni afgezonden,
om aldaar den Capitain FREDERIK op te zoeken, die, aan het hoofd van
vyftig andere manschappen, den 20sten der laatst voorgaande maand
vertrokken was, en van wien men niet meer had hooren spreken, het
geen groote bekommering veröorzaakte.
De wachtpost van Vrydenburg, aan de Maroni, bestaat in een vierkant
stuk grond, bedekt met huizen van Latanus-boomen hout gebouwd,
waar van de bosschen van Guiana overvloeijen, en met goed paalwerk
omringd. 'Er is een wacht aan de buiten-kant, en aan de vier hoeken
vier schilderhuizen voor de schildwagten. Deeze post, door verscheide
stukken geschut verdedigd, is in het midden van een ledig plein gelegen
aan de oevers der Rivier, alwaar men ook een vlag ziet. Dezelve heeft
gemeenschap met de Fransche wachtpost aan de overzyde, en beide leggen
op een korten afstand van den mond der Maroni. Om daar van een juister
denkbeeld aan den lezer te geven, heb ik dezelve afgeteekend, gelyk
mede die van de Wana-Kreek, welke, schoon aangenaam voor het gezicht,
nier minder doodelyk was voor een groot aantal van ons volk.
In de afteekening der Wana Kreek worden de drie legerplaatsen
onderscheidentlyk vertoond. Aan beide zyden, ziet men die van den
Colonel FOURGEOUD, en van wylen den Major RUGHCOP; in het midden, en
lynrecht in 't gezicht van den mond deezer Kreek, is de legerplaats
der Neger-Jagers.
Den gemelden 15den, liet men vaartuigen vertrekken, om de zieken weg
te brengen, en krygsbehoeften aan te voeren. De geheele legerbende
wierd toen door eene zwaare ziekte, een roode loop, aangetast, die
een groot getal menschen in 't graf sleepte. Al wat wy doen konden,
bestond daar in, dat wy, op hoop van goeden uitslag, braak- en andere
geneesmiddelen aan de zieken toedienden: wy hadden geene Chirurgyns; zy
waaren allen in de hospitaalen aan de Commewyne of op Paramaribo bezet.
De arme slaaven vooral verwekten deernis. Zy waaren, zoo als ik gezegd
heb, op eene halve portie eeten gezet, en zedert omtrent twee maanden,
leefden zy van kool van palmboomen, graanen, en wilde wortelen:
hier aan moet men de besmetting toeschryven, die de legerbende
verwoestte. Deeze ongelukkige Negers waren zoo uitgehongerd, dat zy
koorden of banden van heestergewassen om hunne lendenen bonden, volgens
de gewoonte der Indianen, die zig op deeze wyze den buik toebinden,
wanneer hen de honger kwelt, en welke vermeenen of zig inbeelden,
dat het lyden door de drukking minder word. Ik ontsnapte echter,
met eenige anderen, aan de besmetting; maar ik was buiten staat om
te gaan, uit hoofde van eene zwaare zwelling aan één myner voeten,
een ongemak, het geen men hier consaca noemt, en zeer gelykvormig is
aan het geen wy in Europa onder den naam van bevriezing kennen, en
het welk eene groote jeukte veröorzaakt, vooral tusschen de vingers,
waar uit water zypert.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16